Logo levensportretten

Amsterdam, winter 2016

Beste mensen,

Graag maak ik jullie deelgenoot van de wens van Fie:

Op het tafeltje bij het raam staat een vogelkooi met een geel kanariepietje erin. Als ik de kamer binnen kom, staat ze met haar rug naar de deur, bij de kooi, bezig met haar vogeltje. We kennen elkaar nog niet en geven elkaar een hand: Fie is haar naam.

Bij de overdracht door de collega-vrijwilligers in het hospice hoor ik dat er een nieuwe bewoonster is.
Ik ben naar haar toe gegaan om kennis te maken.

‘Blijf je even? Dat vind ik gezellig.’ Ze staat er op dat ik in de fauteuil plaats neem. Zelf gaat ze op de rand van haar bed zitten. Met een kaarsrechte rug zit ze daar, vertellend over haar eigen spulletjes waarmee ze de kamer heeft ingericht. Haar rechterhand strijkt over haar patchwork beddensprei.
Ze vertelt dat ze ziek is, ze wordt niet meer beter en ze heeft niet lang meer. Thuis ging het niet meer.
Ze was zo moe, zo doodmoe. Haar broer is vorig jaar aan dezelfde ziekte overleden. Met grote ogen kijkt ze me af en toe aan. Wanneer ze over haar kinderen vertelt, rolt er een traan over haar wangen.
Als ik naast haar op het bed ga zitten en een arm om haar heensla, laat ze haar tranen de vrije loop en legt ze eventjes haar hoofd op mijn schouder.
Een moment later vertrouwt ze me toe: ‘Ik ben geen vrolijk type.’ Hoe het komt weet ik niet maar ik schiet in de lach, en zij ook.
Als we uitgelachen zijn, zegt Fie zomaar, uit het niets: ‘Ik wil zo graag iets opschrijven voor mijn kinderen. Iets waar ze steun aan hebben, als ik er niet meer ben. Maar ik weet niet goed hoe ik dat moet doen.’
Ik ben met stomheid geslagen. Hoe kan zij weten dat ik diezelfde ochtend me gerealiseerd heb dat van alle werkzaamheden die ik doe, dit is wat ik zo graag doe en zéker wil blijven doen: schrijven voor mensen die weten dat ze niet lang meer leven en die iets willen nalaten aan dierbare achterblijvers.
Fie’s vraagt voelt als een geschenk.

Een week later zitten we samen aan haar tafeltje. Ze vertelt over haar leven, haar kinderen, haar kleinkinderen en ik mag haar alles vragen. Ze vertelt over de dood, over haar dood, en ook daarover mag ik haar alles vragen.

Aan het eind van ons gesprek zegt ze: ‘Ik ben weleens bang geweest om in het verpleeghuis te eindigen. Dat hoef ik nu in elk geval niet mee te maken.’ We zijn even stil. Piet heeft al die tijd gezwegen. Je zou vergeten dat hij in zijn kooitje voor het raam zit. Als Fie besluit met: ‘Dus dat is een voordeel en zo is het goed,’ laat hij fluitend even van zich horen.

Dan neem ik afscheid van haar.
In de dagen erna bekruipt me een gevoel van urgentie dat ik niet kan verklaren maar waarnaar ik besluit te luisteren. Eerder dan afgesproken ga ik naar Fie terug om haar te laten lezen wat ik voor haar gemaakt heb: een levensschets van haar en brief aan haar kinderen inéén.
‘Ja, zo is het goed’ en ze glimlacht tevreden als ze het gelezen heeft.
De dag erna krijgt Fie een hersenbloeding, een week later is ze overleden.

Een paar weken daarna laat ik haar zoon lezen wat zijn moeder heeft achtergelaten. Hij is verrast en hij is er stil van. Later schrijft hij me:

‘Wat bijzonder. Dit kun je als kind noch als moeder zelf zo op papier krijgen.
Je beschrijving van mijn moeder is zo waarheidsgetrouw, het is net een schilderij.
Met de juiste woordkeuze en het benoemen van de kleine maar voor ons zo belangrijke details van onze dierbare moeder.
Dit heeft eeuwigheidswaarde, ik zal het koesteren.
Er valt elke keer iets nieuws uit te halen.’
Ruud Vredeveld

Een ouder die zo’n brief schrijft aan zijn kind, laat iets van onschatbare waarde na.
En er is weinig waarbij ik zo graag van dienst ben als om zo’n document te helpen realiseren.

Heeft u deze nieuwsbrief met plezier gelezen? Stuurt u hem gerust door.

Bent u benieuwd of ik iets voor u kan betekenen?
Bel me gerust of stuur een e-mail, dan kunnen we overleggen.

hartelijke groet,

Annemiek Engelen